dat zij terugkeert is uitgesloten
bijvoorbeeld als een vallende ster
een stukje heelalsteen dat nog rest, na
de moordende reis door de dampkring
– dat na het afkoelen in een zoete beek
eiwitketens gaan krioelen – nee -
_______________________________________
uit niets diep je de woorden op
onder stenen kabbelt wat water
het blauw om je heen is zo dun
en licht en helder, bergkristal
“in de ochtend is alles eenvoudig
vol adem, met randen van goud”
_______________________________________
waar is die bleke, slecht uitziende man
doet hij zich te goed aan de aardbeien
de rabarber, de rucola, de artisjok
is hij tuinman geworden, die de aarde keert
en vult met zaad. die rode wangen
paart aan een teder opgegraven bot
_______________________________________
’s nachts is er dat wonderlijke licht
van de maan, met neonranden
langs de wolken – minutenlang
klinkt zacht roepen, zo hoog boven je
en onzichtbaar de groenpootruiters
dat vermoed je, maar niets is zeker
_______________________________________
soms is zij daar, in rood gekleed
wijf, rood tot in het nabeeld
dansend op vulkanisch gesteente
haar zweet kleurt regenbogen magenta
haar stem ontwortelt bomen
de heks met het indigoblauwe hart
_______________________________________
een verhaal van zilver valt mij in
het zijn de draden van de zee, de horizon
als er weer zeemeerminnennevel is
spinnige haren bij dood tij, taai
als hoog ontwikkeld weefsel en licht
van tast en zicht – zoeter dan manna
_______________________________________
het meisje ziet een herfstblaadje
– achtergebleven – zij schopt en kijk!
het opent zich: een dagpauwoog
dicht, open, een teer en ruw geluidje
vlindervleugels nooit eerder gehoord
mijn adem is hoog en miniem
_______________________________________
zevengetijdenklaver, barbarakruid
vroeg of bitter, obione, ogentroost
wollige sneeuwbal, japanse liguster
zevenster, spiegelklokje, guichelheil
guldenroede, chinese ridderspoor
en het roosje, roosje immortelle