Jeruzalem, in driekwart jaar vier keer verhuisd
nu tijdelijk thuis met een paar koffers en kartonnen dozen
op zolder onder Joanna’s tafel weggeschoven
haar lage bed verdraagt me net
haar kleuren zijn me vreemd
de donkerbruine lakens
de vaalgestreepte lappen die gordijnen heten
haar meubels die een donker politoer uitzweten
ik ben omgeven door oud verweerd hout
meisjesdromen van de landlady beneden
een dunne perkamenten dame
gevlucht uit Polen
die zich een zolderkamertje liet bouwen
om dichter bij de wind en de sterren te zijn ‘s nachts
op sjabbesmiddag wacht zij op ons met de thee
zij komt uit Danzig, ken ik Danzig?
zij heeft het, bekend verhaal, als enige overleefd
haar mond een bittere streep
haar kamer een relict van vooroorlogs gevoel
versleten crapauds, antieke kasten,
donker en koel
buiten waait de chamsin
- de schroeiende woestijnwind -
de hete adem van de Arabieren in ons gezicht
zodat wij niet vergeten dat dit Praag noch Danzig is
een andere oorlog woedt
terwijl onze wonden nog openliggen
ze stinken
we dansen met de tijd
in de salon verbinden de zielen van
vermoorde familieleden
zich met het krijsen van de doden van vandaag
de Poolse landlady is doof
als ik haar vraag hoe oud ze is
dan moet ik schreeuwen -
Jeruzalem, juni 1988