Lachend lig ik doorgelegen in de storm.
In het wrakhout
grijnzen de gezichten mij sober tegemoet.
Welkom ben ik niet
en ik til mijn laatste trillingen in de lucht.
Het leven kan een ademstoot van warmte zijn,
maar ruigheid overheerst .
Lachend lig ik doorgelegen in de storm.
In het wrakhout
grijnzen de gezichten mij sober tegemoet.
Welkom ben ik niet
en ik til mijn laatste trillingen in de lucht.
Het leven kan een ademstoot van warmte zijn,
maar ruigheid overheerst .
Ik zag een onvoorstelbaar licht,
lichtlichter dan een helle dag.
Ik voelde, dat ik brak en lag
verstild op een ontwaakt gedicht.
En wachten deed ik en ik kon
mijn angst verstillen en ik zwom
door duizend mooie dromen heen,
Ik ging en ging zo heel alleen.
Maar ’t licht, dat droeg mij steeds maar voort
en als de geesten onverstoord
mij handen reikten naar de zon
dan wist ik, dat ‘k haar raken kon
en in een droom en een gedicht
ontluiken zou met nieuw gezicht.