Elisabeth Bishop

door Ida Boelhouwer

Elizabeth Bishop, Amerikaans dichteres 1911-1979

Fragment uit het gedicht Eind maart, van Elizabeth Bishop, in de vertaling van J. Bernlef.
Uit: Tortuca, Tijdschrift voor Literatuur en Beeldende Kunst, nummer 28, MMXI

(…)
De lucht was donkerder dan het water
– het had de bleekgroene kleur van schapenvet.
Over het natte zand, op rubberlaarzen, volgden wij
een spoor van grote hondenpoten (zo groot
dat ze meer op leeuwenprenten leken). Daarna
stuitten wij op eindeloze strengen nat wit touw,
lussen vormend van de vloedlijn tot aan het lage water,
steeds opnieuw. Ten slotte kwam er een eind aan:
een dikke witte kluwen, manshoog, aangespoeld,
rijzend op iedere golf, een doorweekte geest,
terugvallend, doorweekt, de geest gevend ….
Vliegertouw? – Maar geen vlieger.

Ik wilde tot aan mijn proto droomhuis lopen,
Mijn crypto droomhuis, die scheve kist
op palen getimmerd van groene overnaadse planken,
een soort artisjok van een huis, maar groener nog
(geloogd met bicarbonaat soda?),
tegen voorjaarsvloedgolven beschermd door
een omheining van – zijn het bielzen?
(Veel aan dit bouwsel is twijfelachtig.)
ik zou me daar willen terugtrekken en niets doen,
of bijna niets, voor altijd, in twee kale kamers:
door een verrekijker turen, saaie boeken lezen,
oude, dikke, dikke boeken en nutteloze notities maken
in mijzelf praten en, op mistige dagen,
kijken hoe de druppels neer glijden, zwaar van ’t licht.(….)

In 1976 interviewde Bernlef haar in Rotterdam waar ze meedeed aan Poetry International.
“Het eerste wat ze zag was niet mij maar haar verzamelde gedichten die ik in mijn hand hield. Ze uitte er haar verbazing over dat ik dat boek bezat en vroeg of ze het even mocht vasthouden. Om er een correctie in aan te brengen. “Een stomme vergissing,” zei ze terwijl ze haar vulpen tevoorschijn haalde, haar bril opzette en op pagina 177 “What nothing” in “But no” veranderde. Daarna vroeg ze, een beetje over haar brilleglazen heenkijkend, of ik er prijs op zou stellen wanneer zij haar handtekening in het boek zou zetten. Dat deed ik. Ze streepte haar naam op de titelpagina door en schreef haar handtekening erboven in een klein spinnerig handschrift.” (Uit: J. Bernlef, Het ontplofte gedicht, Querido Amsterdam 1978)