Een kooi van klank van Anna Enquist (april/mei 2013)

door Ida Boelhouwer

kooivanklankWat mij in de gedichten van Enquist vanaf het begin fascineerde, vanaf haar debuut Soldatenliederen(1991), was dat deze musicus, psychotherapeute, dichter en schrijver het, net als ik, onverteerbaar vond dat haar kinderen louter omdat ze groot werden, van haar vandaan groeiden. Natuurlijk was het ook de bedoeling en wist ze dat ze ook niets liever wilde dan dat, maar die andere kant, die kant van het verlies, heeft zij in haar gedichten vanaf het begin alle ruimte gegeven. Dwars door alle rationele kanten van het leven heen – baan, werk, creativiteit en vrienden, gewoon onverteerbaar verlies en rouw mogen ervaren.

Bij Enquist is de muziek de aangeroepene die de geslagen wonden moet helen.
In het gedicht Strijkkwartet zitten de ouders tegenover elkaar en bespelen hun instrumenten: Met ernst en overgave spelen zij/elkander toe, zij voelen nog geen pijn.// Straks zullen zij gaan bloeden. Mettertijd/ wordt de muziek tot troost: geenszins/ als streling, maar als schema van de wanhoop,/glanzende partituur van eenzaamheid.

In het gedicht De Meisjeskamer: Wij zijn het vangzeil waar/ zij zich soms achterover/in laat vallen. Wij wiegen/ haar als toen, ontwricht/als zij weer opveert en ons/ achterlaat. Het plotseling/ontbreken van gewicht.
In Tegen de Groei: (…) Sinds zij//groeiden ga ik op verdoofde/voeten door een grijs en windstil/land. De hete messen van/verlies kerven in elke hand.

Uit haar tweede bundel Een klaarlichte dag(1996):
(…) Er was een kind. Met haar danste ik/door de kamer, wij galoppeerden van hoek/naar hoek, wij zongen luidkeels een lied.//Zij had een warm gezicht. Zij was mijn dochter./Als ik adem vonkt zij na in het gedicht.
In het gedicht Het Raadsel: Tijd heeft mij op de tuinbank neergezet,/een soplap in mijn hand gelegd. Toen/ ik niet keek werd bloesem fruit,/hebben de wilgen zich verzilverd,/heeft het kind zijn eigen maaltijd/klaargemaakt.
En in Dochter dochter: Nu bén ik toch thuis zeg je,/wel twee dagen. Ik noem dat/geen thuis-zijn, een benauwd/verblijf is het. (…)
En als ze samen uitgaan: Wij lachen/en verstarren op dezelfde momenten./Dan nemen wij afscheid. Zij/gaat naar huis en ik ook.
De moeder probeert te dealen met de veranderde verhoudingen in het besef dat ze er meer moeite mee heeft dan haar dochter.

En dan komt het verschrikkelijke ongeluk (zomer 2001) en het definitieve afscheid.
Een Kooi van Klank noemt Enquist de bundel met 11 gedichten die ze voor de gedichtenweek in januari jl geschreven heeft.
De muziek die haar en haar man het leven redt, de muziek die anderzijds zo wanhopig het redmiddel móet zijn, wordt ervaren als een kooi waarin ze met de verschrikkelijke waarheid en hun herinneringen gevangen zitten. Maar waar ze ook veilig zijn voor de aanstormende buitenwereld die eist dat het leven doorgaat.
(…)verzet je//tegen de film van haar einde zodra je ligt,/elke nacht weer – sta op, weiger. Keer/op keer zal het niet baten.Neem dan plaats//aan de vleugel en vlucht in je vingers. Ga/noten vertalen, beperk je tot het bescheiden/hernemen van hooguit twee maten.//Gaandeweg vreet de frase je op. Je glipt/door de spijlen van klank die je opricht,/Geduldig, heilzaam de noten herhalend.

~~

Wat deden wij toen zij voorgoed/ was verdwenen? Gesloten strot,/
klei in de benen, geen lucht,/ (…) Je hand//pakt de strijkstok. Wit geharst/knarst hij over de snaar. Zwijgend/begin je de zoektocht naar haar.

~~

(…)Kijk, deze foto:// leeg strand bij avond. Jonge vrouw,/achterkant. Haar hemd heeft de kleur/ van de zee. Zand op haar schouders,//zout haar in een knot op haar kruin/bleek licht rond haar lichaam. Stil,/Zij heeft nog een week.

Ik kies ervoor om willekeurig te citeren, omdat alle regels die je oog treffen, doortrokken zijn van authentiek verwoorde rouw en smart.
In het laatste gedicht, Tamboer, beschrijft ze hoe de vader en de moeder van de gestorven dochter de trom die de toekomst aankondigt proberen te negeren, tot het niet langer kan, omdat hun zoon hen het eerste kleinkind brengt.
(…)Woedend doe ik een greep/in de muziekdoos van het geheugen, waar/haar te vinden voor ik omval? Maar kijk,//de trommelaar brengt ons het kleinkind,/verlokt ons tot een nieuw lied, zadelt ons op/met de laatste vreugde voor de eindstreep.

Liefde, vreugde, rouw, oud worden, woede, wanhoop en vertwijfeling over verlies, en dat in de kontekst van het moederschap, Anna Enquist benoemt het en schrijft erover, waarmee ze de dood en het leven met elkaar verbindt. Zij, de overlevende moeder en grootmoeder, blijft haar dochter dragen als een vangnet waar niemand op wacht. Zij buitelde buiten de tijd en jij weigert koppig de stilte te horen.

Enquist schrijft: Wees oprecht tegen lezers. Liever dan dikke woorden een kille inspectie.
Maar het is geen van beide, het is een indrukwekkende elegie.

Anna Enquist – Een Kooi Van Klank, CPNB 2013