Maria de Groot in gesprek met Ida Gerhardt

door Ida Boelhouwer

ida_home Sommige boeken, daar woon je meteen in en dit is daar één van. Een boek dat Maria de Groot – feministisch theologe, neerlandica en dichteres – samenstelde bij de dood van Ida Gerhardt in 1997, en dat begint met een interview voor het blad De Wending uit het jaar 1979.
Een heel spannend interview, midden in de winter, vorst op de ruiten, gladde stoeppaadjes, waarvoor Ida Gerhardt Maria van tevoren per brief waarschuwt, ook om haar te vertellen dat het interview echt niet langer dan een uur kan duren: ik weet niet of u dat erg raar of en erg moeilijk vindt: beperkt u het gesprek tot een uur, zonder de verwachting, dat het, tòch wel, “uit zal lopen”. Ik denk dat Maria de Groot nu de leeftijd heeft van de dichteres toen, 74 jaar, destijds was ze “nog maar” 42. Ida Gerhardt schrijft haar moederlijk: Het moet niet makkelijk zijn zo intelligent te zijn en tegelijk, hoe zou het anders kunnen met 42 jaar (voor mij is dat bijna ontroerend jong), nog zo tastend in die overweldigende opgave die leven heet. Ik wist met 42 heg noch steg.
Het interview bevat dankzij de scherpzinnige vragen van Maria de Groot een soort van basispakket waaraan elke dichter zich kan spiegelen. Op de vraag hoe een gedicht ontstaat, antwoordt Gerhardt: het dient zich schemerig aan en je moet het in je vingers zien te krijgen. Dat is de worsteling. Soms moet je iets jaren laten liggen, afstand doen en wachten. Na een tijdje zie je of het een goed gedicht is. Niet meteen. Je kunt soms zelf eerst iets heel geslaagd vinden, terwijl het dat toch niet is. Je verkijkt je wel eens. Als er technisch iets aan een gedicht mankeert, is dat een onbedriegbare test. Als het technisch niet lukt, dan is de aanzet ook niet goed geweest. Je kunt het dan ook nooit meer goed krijgen.
Dat is een heel belangrijke lijkt me; hoe vaak blijven we niet zitten puzzelen, omdat we gehecht zijn aan een paar mooie regels?

het grote voorbeeld
Indrukwekkend mooi vind ik wat ze vertelt, en later ook nog in brieven aanvult, over haar leraar klassieke talen aan het gymnasium, de dichter Leopold: Als ik Cheops (lang, verhalend gedicht, Leopolds meesterstuk ib) gelezen heb, dan weet ik: ik kan niets. Veel mensen zijn daar bang voor. Ik vind het gezond om dat aan Cheops te ontdekken. Bovendien: ik hoef niet te maken wat al gemaakt is. Wat ik toen niet heb begrepen was, hoe dodelijk vermoeid hij van de lessen moet zijn geweest. Het moet slopend zijn geweest om bijna alles te moeten liplezen, de helft toch nog niet te begrijpen en niets te laten merken. Eens liepen we naast elkaar op de trap van het gymnasium. Hij zei toen: ik heb vanochtend vier uur achter elkaar. Aan de manier waarop hij dat zei, begreep ik ineens: dit is voor hem onvoorstelbaar zwaar. Toen we boven waren, zei hij nog: ik heb geen vrije ochtend op mijn rooster. Dat moet hebben betekend: geen mogelijkheid om te werken. Want ’s middags was hij al versleten van de ochtend. Zijn werk moet in de vakanties zijn ontstaan. Al het onvoltooide werk moet grotendeels de vrucht zijn van dat ene jaar na het pensioen.
Als Ida Gerhardt de P.C Hooftprijs ontvangt, schrijft Maria de Groot een gedicht ter ere daarvan: De Prijs, waarin zij Leopold beschrijft als degene die Gerhardt voorgeleefd heeft, wat het kost om te komen op de plaats waar zij staan moest: alleen.
Gerhardt is ontroerd en schrijft hoe het vers, dat op dat moment van schrijven voor haar ligt, “een lichtval heeft die van het blad afschijnt. Die lichtval was er soms, op winterdagen, als wij les van hem hadden en het duidelijk werd dat het een volkomen unicum was les van hem te hebben. Jij hebt hem nooit gezien, en tegelijk is hij in het vers zoals hij was: “voorovergebogen en rijzig”. Ik heb Leopold zeer vaak gezien op winteravonden, op de ijsbaan; een uitnemend schaatsenrijder, die met de handen op de rug, gelijkmatig en snel, baan na baan aflegt. ’s Avonds had zijn verschijning, die door ons allen onmiddellijk werd opgemerkt, iets boventijdelijks.”
Door dit fragment stap ik zelf terug in de tijd, en wel in die van het onwerkelijke lamplicht op donkere middagen op de lagere school, waardoor het zowaar gezellig werd. Hoewel ik school haatte, wilde ik dan toch even niet dat die middag voorbijging, dat de bel de betovering zou verbreken en ons naar huis sturen.

St. Lioba-klooster

140

rechts Ida Gerhardt, links Maria van der Zeyde

Tot mijn verrassing staan er in het boek foto’s van Ida Gerhardt en haar levensgezel Maria van der Zeyde, tijdens een verblijf in het St. Liobaklooster in Egmond, precies in dezelfde week dat ik daar voor een weekend was. De zuster van het gastenverblijf lichtte me in over hun aanwezigheid, dat ze vaker kwamen, hun eigen vertrekken hadden. Ik zag ze samen in een hoekje van de tuin zitten, door het poortje gaan, achterin de kapel zitten. Eenmaal sprak Ida Gerhardt luid en duidelijk: “Goedenavond”, bij het verlaten van de kapel, dat is de enige keer dat ik haar heb horen spreken. Dierbare herinneringen aan dat solo retraite-weekend komen weer boven.

Ierland: Ik adem en ik leef
Jarenlang reisden de twee schrijfsters in de schoolvakanties naar Ierland, waar ze verbleven in een “onbeschrijflijk prachtig gelegen, eenzaam, onbewoond huis.”

Eerste avond op Northrock

Ik die hier eindelijk te schrijven zit
’t was vijf uur varens van de overkant –
ben weer gewend. Want nauwelijks geland
liep ik vijf mijlen voor een lampepit.
Niets raakt ooit, sinds St. Patrick, uit zijn stand
in dit gehucht waarvoor ik dagelijks bid.
Thans is het avond. En de lamp: hij brandt.
Komt, zuster stilte, zuster eenzaamheid,
gij enigen die mij vertrouwelijk zijt:
behoedt mij. Hoedt de lampkring en mijn hand.

Zich afzonderen, weg uit de gewone omgeving met al zijn afleidingen, de stilte en de eenzaamheid opzoeken om de geest leeg te maken en de gedichten te kunnen ontvangen.
De afdeling waarin deze verzen staan, heet dan ook Ballingschap tot het vers. Voor wie dienend wil zijn aan het schrijven, zijn afzondering en stilte de voorwaarden daarvoor. En armoede, voegt Maria de Groot daar nog aan toe en dat spreekt me ook wel heel erg aan. In zekere zin voldoet een luxe huisje niet aan het repertoire van noodzakelijke basisingrediënten, er moet een zekere ontbering zijn, je moet kunnen afdalen naar de bron, vijf mijl lopen voor een lampepit op zijn minst, en verder alles zo eenvoudig mogelijk, geen verstrooiingen.

de lerares
Hoe lang is het geleden dat ik gedichten van Ida Gerhardt las? Als ik dit boekje lees, pak ik haar Verzameld Werk als vanzelf weer uit de kast, met in mijn achterhoofd de richtlijn die zij achterin de bundel Het Sterreschip liet opnemen: Ten aanzien van de gehele bundel – het menen te weten (substantief Het menen te moeten weten) “which is which” e.d. kan ik de lezer niet genoeg ontraden. Met een dergelijke instelling verspert men zich van het begin af de toegang tot het vers.

Je zou wensen dat je bij haar in de klas had gezeten, wat een bijzondere lerares (klassieke talen) moet zij geweest zijn, altijd op zoek naar overdracht in gelijkwaardigheid en wederkerigheid. Ze werkte dertien jaar in Kampen: “ik heb het er verschrikkelijk èn heerlijk gevonden” en werd toen door Kees Boeke naar Bilthoven gehaald om de gymnasiumafdeling van De Werkplaats op te richten. Ook zij kampte met die opgeslokte tijd die ze ergens “de gróte doodsvijand” noemt: Veschrikkelijk. Vaak is het force majeure. Je komt nergens aan toe. Daar was natuurlijk altijd het leraarschap. Verder gebeuren er dingen in de vriendenkring, met mensen die je ter harte gaan. Of er is allerlei gedonder.
Hoe gek eigenlijk dat we allemaal zo weinig tijd ervaren, veel te weinig tijd voor een mensenleven; dat datgene wat onze uniciteit uitmaakt, misschien maar flitsjes zijn en het grootste deel opgaat aan gezwoeg om het dagelijkse in stand te houden.

Dit boekje gaat over twee bijzondere vrouwen, die een verrassende klik hadden. Maria de Groot heeft daar een ontroerend en inspirerend verslag van gemaakt. De handgeschreven brieven van Ida Gerhardt, ook als zodanig gekopieerd, nemen haar voor je in, laten haar kwetsbaarheid zien, alsook haar behoefte en vermogen om zich in een ander te willen verplaatsen: Denk nimmer dat ik je brief niet goed heb gelezen. Wij zullen elkaar, later, zeker weer zien en spreken. En haar felheid niet te vergeten: Laat mij wèl zeggen dat ik om de “litteraire kritiek” in deze lage landen uiterst weinig geef. Een beurs, waar men handel drijft en wissels vervalst.“
Maria de Groot heeft haar niet alleen als een dappere en eigengereide vrouw neergezet, zoals we haar al kenden, maar ook als zeer liefdevol, humoristisch, aards-realitisch, begeesterd en begeesterend.
Het boek is voor een klein prijsje in de webshop te koop, zolang de voorraad strekt.

Maria de Groot, In gesprek met Ida Gerhardt, Interview, brieven, gedichten en beschouwingen.
127 blz. Uitgeverij Ten Have tweede druk 2003,
13 euro inclusief verzending.