Mary Oliver

door Ida Boelhouwer

Wie wil er nou geen zwaan zijn? Is er een vogel – het woord vogel klinkt al te gewoon voor een zwaan – die meer de fantasie aanspreekt? Maar nog mooier dan de zwaan
zelf is de verbeelding ervan door de Amerikaanse dichteres Mary Oliver (1935) in het titelgedicht van haar bundel Swan:
(…) an armful of white blossoms,
a perfect commotion of silk and linen as it leaned
into the bondage of its wings: a snowbank, a bank of lilies,
biting the air with its black beak(…)

mary_oliver

Oliver begon gedichten te schrijven toen ze 14 was. Drie jaar later leerde ze de beroemde dichteres Edna St. Vincent Millay kennen en kwam zelfs in haar huis te wonen. Samen met de zuster van Edna verzorgde ze de schriftelijke nalatenschap van de dichteres, een project wat jaren duurde en waarschijnlijk een vruchtbare bedding voor haar eigen werk heeft opgeleverd.
Zijzelf debuteerde in 1963 met de bundel No Voyage and Other Poems en won in 1984, met haar vijfde bundel, American Primitive, de Pullitzer Prijs voor Poëzie. Ze was veertig jaar samen met de fotografe Molly Malone Cook, tot Molly’s dood in 2005.
Over de dood schrijft ze in éen van haar vele bundels (Swan is nr.20): When it’s over// I want to say: all my life/ I was a bride married to amazement. I was the bridegroom, taking the world into my arms.
Haar verbazing en verwondering betreft in veel gedichten de natuur als de trouwe want steeds aanwezig blijvende bron van kracht en stabiliteit in het turbulente mensenbestaan.
(…) Take your busy heart to the art museum and the chamber of commerce/ but take it also to the forest/ The song you heard singing in the leaf when you were a child/ is singing still./ I am of years lived, so far, seventy-four./ and the leaf is singing still. (…)

Soms zijn haar gedichten kleine poëtische verhaaltjes, zoals het herkenbare How I Go to the woods// Ordinarily I go to the woods alone, with not a single friend, for they are all smilers and talkers and therefore unsuitable.
Vervolgens licht ze een tipje van de sluier op: (…)I have my way of praying, as you no doubt have yours, (…) om te besluiten met: If you have ever gone to the woods with me, I must love you very much.

Al even tot de verbeelding sprekend zijn de gedichten over haar hond Percy:.
Percy wakes me and I am not ready./ He has slept all night under the covers./ Now he’s eager for action: a walk, then breakfast./ So I hasten up. He is sitting on the kitchen counter/ where he is not supposed to be./ How wonderful you are, I say. How clever, if you needed me/ to wake me./ (…) He squirms and squeals; he has done something that he needed/ and now he hears that it is okay./ (…) He is wild with the okayness of it. Then we walk, then/ he has breakfast, and he is happy./ This is a poem about Percy./ This is a poem about more than Percy/ Think about it.

En in het gedicht Sweetness of Dogs is Percy haar leermeester als ze samen naar de opkomst van de maan gaan kijken. Waar zìj verzonken raakt in intelligente gedachtes over tijd en ruimte, hoe nietig de mens is en hoe bijzonder het hele universum in elkaar zit, heeft Percy er genoeg aan om onafgebroken naar háár te kijken: (…) Percy, meanwhile,/ leans against me and gazes up into/ my face. As though I were/ his perfect moon.

Steeds spelen haar gedichten met de eisen van de rechtlijnige maatschappelijke wereld enerzijds en de circulaire wereld van de tijd, een mensenleven, de zon, de aarde, de maan. Voor welke wereld zij kiest is wel duidelijk. Let laughter come to you now and again, that sturdy friend.// The impulse to leap off the cliff, when the body falsely imagines it might fly, may be/ restrained by reason, also by modesty. Of the/ two possibilities, take your choice and live.// Refuse all cooperation with the heart’s death.

Swan, Mary Oliver. 2010, Bloodaxe Books, Northumberland