Nooit te vangen met haar eigen pen

door Ida Boelhouwer

De beauty van de maand is deze keer een dichtbundel en wel een die ik onlangs cadeau kreeg: Nooit te vangen met haar eigen pen – de vrouwelijke stem in de Nederlandstalige poëzie in 200 gedichten – samengesteld en ingeleid door de Vlaamse dichteres Lut de Block. De uitgave dateert al van 2005, maar de vrouwelijke stem in de gedichten is onbetwistbaar actueel.
Het mooiste gedicht, waar ik steeds naar terugkeer om weer over te lezen, vind ik wel Menigte van Anna Enquist, waarin ze in luchtige 2-regelige strofen (2x 3-regelige) de personages opvoert waarin een moeder zich verdeeld ziet:

 

Verbaasd merkte de moeder
dat zij een menigte werd.

Binnen enkele dagen was het
gebeurd, bleek zij uiteengevallen
in een waaier van vrouwen.

 

Vervolgens voert ze ze éen voor éen op: de weerloos-blije, de verslagene, de trieste, de furie, de wanhoopsmoeder:

 

Hoe hen te hoeden, te zorgen dat elk
de voeten in dezelfde richting sleept?

 

Ik ben een fan van de “moeder”gedichten van Anna Enquist, waarvan ze er al vele geschreven heeft. Omdat ze zo precies beschrijft wat de eenzame emotionele ervaring van het moederschap is.

De bundel is opgedragen aan Ida Gerhardt en Marie Vasalis en hoewel Lut de Block in haar inleiding aangeeft een voorkeur te hebben voor recente gedichten, krijgt ook een prachtig romantisch gedicht van Anna Blaman een plaatsje, Ik droomde, waarvan ik hier de eerste strofe citeer:

 

Ik droomde dat ik met haar in een duinpan lag
en eerst haar handen begroef en toen haar voeten
En toen ik haar geboeid en weerloos zag
begroef ik ook mezelf om haar weer te ontmoeten
(…)

 

Lut de Block zelf is vertegenwoordigd met o.a. een heel mooi gedicht met de titel
Dochter en ik waarin ze de omkering beschrijft van functies: “Het kind is moeder van de vrouw.” (…) Dochter en ik. Geen woord was tussen ons,/ geen misverstand. Ook geen verband/ tussen haar zwijgen en mijn gewild niet spreken./ Alleen een hand die me het vallen zou beletten./ Een stomme steen, zei ze. Opletten/ (…)
Maar niet alleen die omkering beschrijft ze, ook de wederzijdse inspiratie en de verpletterende blijheid die je kunt ervaren als je samen met je volwassen dochter bent: Ooilam op mijn schoot, wat werd ze groot,/ De lente was nog iel en zij zo blij./ Gewichtsloos liepen wij,/ (…)

Volgens Lut de Block valt de “vrouwelijke stem” niet persé samen met de sekse van de schrijver en ze heeft de dichteressen dan ook aangevuld met dichters die voor een vrouwelijk pseudoniem kozen, acht in getal. Ze daagt de lezer uit de acht “mollen” eruit te halen.
Ik kon niet eerlijk meespelen omdat ik van tevoren opgezocht had wie dat waren, maar volgens mij had ik ze er qua thematiek, woordgebruik en stijl, itt wat Lut de Block denkt, onmiddellijk uitgehaald. Maar bewijzen kan ik dit niet. Wel een prachtige bundel.
Uitgegeven bij Poëziecentrum, Gent.