twee gedichten van Christine Van den Hove

Rapunzel

Nooit heb ik lang haar gehad
Het was onpraktisch zei mijn moeder
Ze had een punt
Ik hield niet van de kam

Het mocht toen ik een meisje werd
Het duurde lang
Het was niet in de mode

Het lukte ook niet toen ik groter was
Altijd dat zoeken
Naar een betere omlijsting
Van een alledaags gezicht

Nu is het te laat
Wat nog wil groeien kroest
Grijs en onhandelbaar
Het staat me niet

Spijt zal ik hebben op mijn sterfbed
Dat ik nooit een dot of een chignon heb mogen dragen
Of een vlecht langs een kant
Lang genoeg om uit te hangen

Uit een torenkamer
En een minnaar te ontvangen
Hij zou naar boven klimmen
Mij een tweeling maken

Spijt zal ik hebben op mijn sterfbed
Dat ik geen tweeling heb
Zelfs geen eenling
Dat ik door toedoen van mijn moeder
Niet lang en gelukkig ben


Weggaan

Terugkeren op mijn stappen
De trappen op
Naar de stationshal

Je zoeken en -o wonder- je vinden
Je kussen
Met je fiets tussen ons in

Onder de vroege wijzers
Niet ten afscheid
Maar ter weerzien

Laten we kussen
Laten we kussen

Laten we de natte straat op gaan
De haastige mensen doen wijken

Laten we haasten
Laten we haasten

Over het smalle voetpad
Langs de lachende soldaten

De lange trap op
Hijgend
In je kamers op adem komen
Onze jassen uitdoen

Gaan kijken
Hoe we in jouw bed liggen te slapen
Van geen weggaan bewust

En willen dat we daar nog waren


Meer werk van Christine Van den Hove is te lezen op haar website