Zoals toen door Ida Boelhouwer

Ik had drie zussen
met wie ik in de mand zat van
afkeer en dromen
we lachten samen heel wat af
want de wind waaide er niet
en aan al de rest waren we gewend

Ik vond een pad gisteren
onderin een hoge lege bloempot
waar ik een vies doekje uitviste
dat ik er ooit had ingegooid
de pad zat daar versteend leek wel
gestorven in uitzichtloosheid

Ik gooide hem in de groene bak
maar ik had hem ook mee kunnen nemen
en in de vensterbank zetten
zo mooi was hij, zo gaaf, zo helemaal
stil zonder strijd gefossiliseerd
in zijn laatste oorzaak